Afkortingen en begrippen Hbo

Accreditatie

Erkenning door de NVAO dat een opleiding competent is om zijn onderwijstaak uit te voeren.

Antwoordmodel

Geeft voor open vragen en opdrachten aan welke elementen in het antwoord of resultaat moeten zitten en de bijbehorende scores.

Assessment

Toetsvorm die het competentieniveau van een student beoordeelt. Het gaat om het totale handelen van een student; de integratie van kennis, vaardigheid en houding.

Veel gebruikte vormen van assessment binnen het Hbo zijn:

  • peer assessment
  • portfolio assessment
  • performance assessment
  • self assessment

Assessor

Een getrainde beoordelaar. Een beoordelaar beoordeelt het werk van de student (toets, portfolio, beroepsproduct, handelen in praktijksituatie) aan de hand van vooraf opgestelde criteria. Een beoordelaar kan een docent zijn, een medestudent of een vertegenwoordiger uit het werkveld. Voorwaarde is dat een beoordelaar niet betrokken is bij de begeleiding van de student.

Beoordelend toetsen

Zie summatief toetsen.

Beoordelingscriteria

Algemene aanduiding voor gewenste kwaliteiten waaraan het professionele gedrag en vervaardigde beroepsproducten en verantwoordingsverslagen van studenten dienen te voldoen.

Beoordelingsformulier

Formulier waarop het beoordelingsmodel staat weergegeven en dat examinatoren gebruiken bij het beoordelen van toets(product)en.

Beroepsopdracht

Een opdracht die de student ertoe aanzet om zijn bekwaamheid m.b.t. een kerntaak van het beroep te demonstreren door het uitvoeren van meer of minder authentieke taken onder meer of minder authentieke omstandigheden, leidend tot een beroepsproduct en soms ook een verantwoordingsverslag.

Beroepskritische situatie

Een situatie uit de beroepspraktijk waarin een professional professioneel handelt en zich daarmee onderscheidt van iemand die (nog) geen professional is.

Beroepsproduct

Een prestatie naar aanleiding van een beroepsopdracht die grote gelijkenis vertoont met prestaties die bij de latere uitoefening van het beroep ook geleverd zal moeten kunnen worden. Het kan gaan om een tastbaar product, maar ook om een (advies)gesprek, presentatie, e.d..

Betrouwbaarheid

Een graadmeter voor de mate waarin de toets als meetinstrument betrouwbare resultaten oplevert, ongeacht de inhoud van de toets. Een toets is betrouwbaar als het bij herhaalde afname onder dezelfde omstandigheden hetzelfde resultaat laat zien.

Bewijsmateriaal

In een portfolio verzamelt de student bewijsmateriaal om zijn competentieontwikkeling aan te tonen.

Body of knowledge & skills

Een beschrijving van de beroepskennis en –vaardigheden waarover de student als beginnende beroepsbeoefenaar moet beschikken.

Casustoets

Toets met één of meerdere casussen die contextrijk is en een authentieke (probleem)situatie voor de latere beroepssituatie beschrijft. De student beantwoordt begrips- en toepassingvragen over de casus. Een casustoets toetst of de student kan beoordelen welke beslissingen moeten worden genomen in bepaalde situaties.

Cesuur

Grens tussen een onvoldoende en een voldoende.

Competentie

Het vermogen van iemand om op adequate wijze uitvoering te geven aan de kerntaken van een specifiek beroep of specifieke functie.

Criteriumgericht interview

Een halfgestructureerd beoordelingsgesprek over de competenties van de student, gekoppeld aan situaties waarin de student zijn competenties heeft laten zien. De student overtuigt de beoordelaars ervan dat hij in verschillende (beroeps)situaties juist heeft gehandeld en dus competent is.

Diagnostisch toetsen

Zie formatief toetsen.

Domeincompetenties

De competenties die de stam bepalen van de (brede) beroepsgerichte oriëntatie van de bacheloropleiding.

ECTS

ECTS staat voor European Credit Transfer System en is het stelsel dat in veel Europese landen gebruikt wordt om de omvang van het onderwijs in studiepunten internationaal vergelijkbaar en overdraagbaar te maken. ECTS zorgt er zo bijvoorbeeld voor dat uitwisselingsstudenten de in het buitenland geleverde studieprestaties ook vrij eenvoudig "thuis" kunnen laten meetellen. Een Nederlandse studiepunt staat gelijk aan 1,5 EC en omvat 40 uur studie. Een opleidingsjaar (van 42 weken) staat gelijk aan 42 gewone studiepunten of 60 EC.

Eindkwalificaties

De beschrijving van wat een student op het niveau van de startbekwame beroepsbeoefenaar moet beheersen.

Eindniveau

Indicatie van wat de studenten van de opleiding aan het einde van de studie beheersen.

Evaluatiebureau

Voert namens de NVAO de accreditatie uit op Hogescholen en adviseert de NVAO over het al dan niet verlenen van een accreditatie (voorheen werd dit een VBI genoemd: Visiterende en Beoordelende Instelling).

Evidence-based practise

Het gebruiken van de kennisbasis om de juiste handelingen te kiezen.

Examen

Een Hbo-opleiding kent twee examens: het propedeutisch examen en het afsluitende examen. Een examen is de optelsom van positief afgelegde tentamens.

Examencommissie

Commissie die uiteindelijk beoordeelt of aan de voorwaarden voor het behalen van een bachelor graad is voldaan. Een andere belangrijke rol is het beoordelen van toelatings- en vrijstellingsverzoeken.

Examinator

Iedere docent / beoordelaar die eindverantwoordelijk is voor één of meer fasen van de toetscyclus.

Formatief toetsen

Tussentijdse toetsen die geen gevolgen hebben voor de studievoortgang in formele zin (toekennen van studiepunten). Een formatieve toets geeft sturing aan het leerproces van de student.

Herleidbaar

De mate waarin de beoordeling door derden te controleren en te reproduceren is.

Integratief beoordelen

Toets die gericht is op het geheel aan kennis, vaardigheden, houdingen en persoonskenmerken, noodzakelijk om probleemoplossend te handelen. Er wordt op het niveau van een totale competentie getoetst.

Intersubjectiviteit

Intersubjectiviteit is het verschijnsel dat uitspraken van twee of meer beoordelaars over een onderwerp met elkaar overeenstemmen (interbeoordelaarsovereenstemming).

Inzichtelijkheid

Een graadmeter voor de mate waarin alle noodzakelijke informatie aanwezig is, zowel bij student als beoordelaar, om de toets goed te kunnen maken en beoordelen.

Kalibreersessie

Bijeenkomst van examinatoren waarin gewerkt wordt aan harmoniseren van de interpretatie van het beoordelingsmodel.

Landelijk opleidingsprofiel

Voor elke opleiding die wordt aangeboden door meer hogescholen, is door henzelf een profiel opgesteld. De inhoud van een opleiding moet minimaal 70% overeenkomen met het landelijk profiel.

Leerdoel

Een leerdoel geeft concreet aan wat de student aan het einde van de module moet kennen en kunnen. Een leerdoel is het beoogde resultaat van onderwijsleeractiviteiten.

Mondelinge toets

Een toets die bestaat uit een gesprek tussen beoordelaar en student ter evaluatie van cognitieve vaardigheden.

Normering

Beschrijft hoe scores kunnen worden omgezet in een cijfer of waardering.

NVAO

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie.

Objectiviteit

De mate waarin de toetsuitslag onafhankelijk is van (storende) invloeden van beoordelaars.

Onderwijseenheid

Onderdeel van een opleiding dat met een toets wordt afgesloten.

Onderzoekend vermogen

De combinatie van een onderzoekende houding, het kunnen toepassen van onderzoeksresultaten van anderen en het kunnen doorlopen van de onderzoekscyclus.

OER

Onderwijs- en examenreglement. Een onderwijs- en examenregeling (OER) is verplicht voor iedere opleiding. Een OER beschrijft de regels voor het onderwijs en de toetsen binnen die opleiding, zoals de inhoud van de opleiding en de toelatingseisen.

Overall toets

De overalltoets is een toets die probleemoplossende vaardigheden meet. Het toetst de mate waarin de student in staat is authentieke problemen te identificeren, te formuleren, te analyseren en bij te dragen tot de oplossing ervan. De aanpak van deze problemen vereist kennis en vaardigheden uit verschillende disciplines.

Peerassessment

Toetsvorm waarbij studenten elkaar beoordelen (op basis van vooraf opgestelde beoordelingscriteria). Deze criteria kunnen zowel vanuit de opleiding als vanuit de studenten zelf zijn opgesteld.

Performance-assessment

Tijdens een perfomance-assesment laat de student in een echte of gesimuleerde situatie zien hoe hij professioneel handelt. De assessoren observeren en boordelen het handelen van de student aan de hand van vooraf vastgestelde criteria.

Portfolio

Het geheel aan (afstudeer)prestaties.

Portfolio-assessment

Toetsvorm waarbij de student allerlei bewijzen verzamelt van zijn/haar kunnen.

Onderdeel van het portfolio-assessment is een criteriumgericht interview. Dit is een beoordelingsgesprek over de competenties van de student, gekoppeld aan situaties waarin de student zijn competenties heeft laten zien. De student overtuigt de beoordelaars ervan dat hij in verschillende (beroeps)situaties juist heeft gehandeld en dus competent is.

Praktijkgestuurde opdrachten

Opdrachten met een opdrachtgever uit de praktijk. Het gaat om projectopdrachten, opdrachten tijdens de stage of andere opdrachten waarin de praktijk een sturende rol heeft.

Prestatie

De uitvoering van een beroepsopdracht. De prestatie is een beroepsproduct, al dan niet voorzien van een verantwoordingsverslag.

Prestatie-indicator of prestatiecriteria
 

(zie beoordelingscriteria).

Prestatieniveau

Kwaliteitsniveau waarop de prestatie wordt geleverd.

Scoringsvoorschrift

Bevat de eisen waaraan een antwoord of resultaat moet voldoen evenals het aantal punten voor een bepaald resultaat.

Self assessment

Werkwijze waarbij de student zichzelf beoordeelt met als doel tot een goed oordeel over de kwaliteit van het eigen handelen te komen.

STARR-methodiek

Methode voor het afnemen van een criteriumgericht interview tijdens een assessment. De assessoren vragen aan de student:

S: Beschrijf een Situatie waarin je competent/professioneel hebt gehandeld.

T: Wat was jouw Taak in die situatie?

A: Welke Activiteiten heb je uitgevoerd in die situatie?

R: Wat was het Resultaat van je activiteiten?

R: Reflecteer: Wat ging goed? Wat doe je de volgende keer anders?

Summatief toetsen

Geeft een beoordeling (een student zakt of slaagt) en/of geeft recht op toekenning van studiepunten.

Toets

Instrument om te beoordelen of een student voldoet aan de eisen om een (deel van een) onderwijseenheid te behalen.

Toetsplan

Een beschrijving van alle toetsen van een opleiding. Het toetsplan geeft aan hoe en wanneer competenties, kwalificaties en doelstellingen worden getoetst.

Toetsmatrijs

Overzicht met leerdoelen/inhouden, waarin per leerdoel/onderwerp is aangegeven op welk niveau wordt getoetst, met welk type vragen/opdrachten en met hoeveel vragen/opdrachten.

Toetssleutel

Bevat goede antwoorden voor gesloten vragen en het aantal te behalen punten per vraag.

Transparantie

Zie inzichtelijkheid.

Validiteit

Een graadmeter voor de mate waarin de toets meet wat deze beoogt te meten.

Verantwoordingsverslag

Verslag van de student waarin hij verantwoordt hoe het beroepsproduct tot stand is gekomen en waarin de tijdens het proces genomen beslissingen worden onderbouwd.

Visitatie

Een officiële inspectie, meestal gehouden door een evaluatiebureau.

Voortgangstoets

Een doorlopende formatieve en/of summatieve toets op het eindniveau van de opleiding. De toets wordt periodiek afgenomen en geeft de student feedback over zijn kennisontwikkeling (body of knowledge).

WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

www.eduproject.nl gebruikt cookies om de website te verbeteren en te analyseren. Als je meer wilt weten over deze cookies, klik dan hier voor ons cookie beleid. Bij akkoord geef je www.eduproject.nl toestemming voor het gebruik van cookies op onze website.
 Cookies NIET accepteren